Bij de behandeling van een herseninfarct kan in een subgroep van mensen met een occlusie in de grote vaten het bloedstolsel verwijderd worden met behulp van een katheter. Ter aanvulling worden dan vaak antistollingsmiddelen gegeven om trombotische complicaties te voorkomen en reperfusie te verbeteren. De effecten en risico's van antitrombotica voor deze indicatie zijn echter onbekend. Een mogelijke keerzijde van de antistollingsmiddelen – acetylsalicylzuur (aspirine) en heparine – is dat ze (hersen)bloedingen kunnen veroorzaken. Of de behandeleffecten opwegen tegen de risico’s is in de huidige studie onderzocht.

Methoden

Het gaat hier om een open-label, multicenter, gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek met een twee bij drie factorieel design waaraan vijftien centra in Nederland deelnamen. Volwassen patiënten (≥ 18 jaar) met een ischemisch herseninfarct, als gevolg van een grote intracraniële occlusie in de voorste circulatie bij wie endovasculaire behandeling binnen 6 uur na het begin van de symptomen kon worden gestart, werden geïncludeerd. Intracraniële bloedingen werden uitgesloten. De patiënten werden willekeurig ingedeeld (1:1) om peri-procedurele intraveneuze aspirine (300 mg bolus) of geen aspirine te krijgen, en willekeurig ingedeeld (1:1:1) om intraveneus matig gedoseerde ongefractioneerde heparine (5000 IE bolus gevolgd door 1250 IE/u gedurende 6 uur), laag gedoseerde ongefractioneerde heparine (5000 IE bolus gevolgd door 500 IE/u gedurende 6 uur) of geen ongefractioneerde heparine te krijgen.1

De veiligheid en werkzaamheid van de toediening van aspirine en heparine tijdens endovasculaire behandeling bij de patiënten werd onderzocht. De primaire uitkomstmaat was de modified Rankin Scale (mRS) welke op dag 90 werd afgenomen en informatie geeft over de functionele status van een persoon na een beroerte (0=geen symptomen; 6=overlijden). Patiënten met pre-beroerte invaliditeit (mRS score > 2) waren aan de start van het onderzoek geëxcludeerd. Een symptomatische intracraniële bloeding was de belangrijkste veiligheidsuitkomst.1

Resultaten

Tussen 22 januari 2018 en 27 januari 2021 werden er 663 patiënten willekeurig ingedeeld waarvan er 628 (95%) toestemming gaven om hun gegevens te gebruiken voor de analyses van het onderzoek. Op 4 februari werd, na een tussentijdse analyse door een onafhankelijke commissie, het onderzoek om veiligheidsredenen stopgezet. Het risico van symptomatische intracraniële bloeding bleek hoger bij patiënten die aspirine kregen dan bij patiënten die geen aspirine kregen (43 [14%] van 310 vs. 23 [7%] van 318; aangepaste OR = 1,95; 95% CI, 1,13-3,35), evenals bij patiënten die ongefractioneerde heparine kregen dan bij patiënten die geen ongefractioneerde heparine kregen (44 [13%] van 332 vs. 22 [7%] van 296; aangepaste OR = 1,98; 95% CI, 1,14-3,46). Zowel aspirine (aangepaste gemeenschappelijke OR = 0,91; 95% CI, 0,69-1,21) als ongefractioneerde heparine (aangepaste gemeenschappelijke OR = 0,81; 95% CI, 0,61-1,08) leidden verder tot een niet-significante verschuiving naar slechtere scores op de mRS.1

Interpretatie

Periprocedurele intraveneuze aspirine en ongefractioneerde heparine tijdens endovasculaire behandeling van een beroerte zijn beide geassocieerd met een verhoogd risico op symptomatische intracraniële bloedingen zonder bewijs voor een gunstig effect op functionele uitkomt.1

Anders dan misschien werd verwacht suggereren de resultaten van het onderzoek dat het vermijden van routinematige periprocedurele behandeling met aspirine of ongefractioneerde heparine de kans op herstel na endovasculaire beroertebehandeling kan vergroten. De onderzoekers geven aan dat de veiligheid en werkzaamheid van het gebruik van antitrombotische middelen tijdens endovasculaire beroertetherapie voor andere indicaties, bijvoorbeeld acute carotisstenting, verder geëvalueerd moet worden.1

Referenties

  1. MRCLEAN-MED. Verkregen via https://mrclean-med.nl/, op 10-03-2022
  2. Van der Steen W, et al. The Lancet, 2022; https://doi.org/10.1016/S0140-6736(22)00014-9