Bij immuuntherapie wordt de natuurlijke afweerreactie tegen tumorcellen versterkt en gemanipuleerd. Immuuntherapie met checkpointremmers kan zorgen voor immuungerelateerde bijwerkingen die lijken op immunologische ziekten.  Om deze reden worden patiënten met reeds bestaande auto-immuunziekten normaal gesproken uitgesloten van klinische studies naar deze behandeling.

Onderzoek

In dit patiënt-controleonderzoek is het risico op immuungerelateerde bijwerkingen bekeken bij patiënten met en zonder bestaande auto-immuunaandoening, terwijl ze met checkpointremmers werden behandeld voor melanoom (graad III en graad IV).

Onderzoeksresultaten

110 patiënten met een bestaande immuunaandoening werden geïncludeerd (47 [43%] auto-immuun schildklierziekte, 26 [23%] huidziekte, 14 [13%] reumatoïde artritis of spondylartritis, 23 [21%] anders). Er werden 330 controles geselecteerd. Er was een mediane follow-upperiode van 7,2 maanden voor patiënten met een immuunaandoening en 6,9 maanden voor controles.

De oddratio's (OR’s) van ontwikkelen van alle en graad ≥ 3 immuungerelateerde bijwerkingen onder patiënten met een immuunaandoening in vergelijking met controles was respectievelijk 1,91 (95% betrouwbaarheidsinterval of BI (1,56 tot 2,27)) en 1,44 (95% BI (1,08 tot 1,82)).

Patiënten met een bestaande immuunaandoening hadden een verhoogd risico op meerdere immuungerelateerde bijwerkingen (OR 1,46, 95% BI (1,15 tot 2,67)) en een kortere tijd tot aanvang van deze bijwerkingen. Daarentegen was er geen verschil in bijwerkinggerelateerde mortaliteit noch in de mate van stopzetting van de behandeling.

Analyse onthulde een betere overleving na 24 maanden onder de patiënten met een immuunaandoening vergeleken met de controlegroep (64.8% vs 45.9%; p=0,02). Dertig procent van patiënten met een immuunaandoening ervoer een opvlamming van hun aandoening tijdens de follow-up. Immuunsupressie (17% van de patiënten) voor de start van het onderzoek voorkwam niet dat immuungerelateerde bijwerkingen optraden. De onderzoekers geven verder aan dat er een associatie is tussen subsets van bestaande immuunaandoeningen en orgaanspecifieke immuungerelateerde bijwerkingen.

CONCLUSIE

Patiënten met een bestaande immuunaandoening hadden een groter risico op ernstige en meerdere immuungerelateerde bijwerkingen, maar een betere overleving dan controles. Patiënten met een al bestaande immuunaandoening komen dus in aanmerking voor immuuntherapie met checkpointremmers, maar hebben baat bij een nauwgezette monitoring op het optreden van immuungerelarteerde bijwerkingen, vooral tijdens de eerste maanden van de behandeling.

Referentie

  1. Plaçais et al. Ann Rheum Dis. 2022; https://doi.org/10.1136/ard-2022-222186